Schippers start de Uber van de pillenmarkt

 

2016-03-21 14_29_36-Greenshot

De scepsis in de media over minister Schippers aanpak van de grote farmaceutische bedrijven is onterecht, betoogt gastcolumniste Sandra Phlippen.

Het Uber-model staat symbool voor hoe nieuwkomers met een frisse blik en slimme technologie markten kunnen openbreken waar onnodig hoge prijzen worden gerekend. Het zijn altijd markten waarin licenties, subsidies of in dit geval patenten marktmacht creëren die tot hoge prijzen lijden. Het Uber-model kenmerkt zich daarnaast door het maken van een individuele match tussen vrager en aanbieder. En ook dat is Schippers van plan.

Onze eigen Edith Schippers zou zomaar het revolutionaire brein kunnen blijken achter de ontwrichting van de pillenmarkt. Eind januari opende ze met haar Kabinetsbrief toekomstvisie medicijnen de aanval op grote farmaceuten. Ze wil de farmaceuten die steeds gigantischere prijzen vragen voor nieuwe medicijnen tegen vooral kanker en reuma een kopje kleiner maken. Om dat te bereiken wil ze een gezamenlijk europees inkoopplatform oprichten én ze wil dat de mogelijkheden voor gepersonaliseerde medicijnen zoveel mogelijk worden toegepast.

Haar plan stuitte in de media vooral op scepsis. ‘klinkt stoer’, kopten vrijwel alle kranten, ‘maar wat kan dat kleine Nederland dat nauwelijks een procentje op de wereldmarkt claimt nou maken tegen de big pharma megaconglomeraten?’ Wat die media niet weten is dat Schippers en haar ambtelijke kornuiten inmiddels een doorn in het oog zijn geworden van de Europese Commissie die Nederland aanwijst als de koploper in de parallelle handel in medicijnen. Nederland mag dan wel te klein zijn om lage prijzen af te dwingen bij big pharma zelf, ze is de bovenste beste in het opkopen van medicijnen die door grotere landen tegen lagere prijzen zijn uitonderhandeld. De opbrengsten van de goedkoper uit het buitenland ingeslagen medicijnen mogen van Schippers worden verdeeld tussen apotheker en verzekeraar.

Die parallelle handel moet Schippers op een idee hebben gebracht. Als big pharma voor eenzelfde kankermedicijn tot wel anderhalf keer meer betaald krijgt in Duitsland dan in het Verenigd Koninkrijk, dan moeten lagere prijzen mogelijk zijn. De parallelle handel tussen landen onderling ondermijnt de marktmacht van farmaceuten en maakt lagere prijzen mogelijk. Ga maar na: in theorie zouden alle Europese landen hun medicijnen niet meer bij de farmaceut of diens groothandelaar inkopen, maar bij het land dat de laagste prijzen betaald. Er zou dan een markt met een centrale inkoper ontstaan. In de praktijk zou dit het Verenigd Koninkrijk zijn, waar de prijzen meestal het laagst liggen. De rest van europa wordt via tussenhandel voorzien van medicijnen. Toen Schippers dat plaatje voor zich zag, moest ze hebben bedacht dat een centrale Europese inkoop tegen Engelse prijzen ideaal zou zijn.

Haar tweede speerpunt is het breed toepassen van gepersonaliseerde medicijnen. Deze technologie bestaat al voor een klein aantal aandoeningen maar zou inderdaad veel breder kunnen worden toegepast. Het is een techniek om het DNA van een patiënt te matchen met een medicijn. Hieruit blijkt met grote zekerheid of de betreffende patiënt wel baat heeft van het medicijn. De gevolgen hiervan kunnen revolutionair zijn en veel kosten besparen. Een medicijn dat tot nog toe aan alle patiënten met een bepaalde ziekte word gegeven, zal dan slechts bij een deel van die patiënten worden toegediend. Onnodige want ineffectieve medicijnen worden dan niet meer verstrekt. Patiënten hebben geen onnodige bijwerkingen, verdoen minder kostbare tijd met het zoeken naar het voor hen juiste medicijn en Schippers hoeft minder medicijnen in te kopen. Gepersonaliseerde medicijnen via centrale inkoop. Klinkt als een Uber-model met een belangrijk verschil: minder verkochte pillen worden niet goedkoper om te maken en dus zal de prijs stijgen. Schippers plan zal met andere woorden leiden tot hogere prijzen voor minder medicijnen. En dat is juist goed!

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Leren gaat over kennen en niet over kunnen meepraten

Op de arbeidsmarkt legt de ‘een beetje kennis van van alles’-student het af tegen de student die een comparatief voordeel heeft in een vak, betoogt gastcolumniste Sandra Phlippen.

De Universiteit is het mekka van het leren. Alles draait hier in de kern om het vergroten van kennis via onderzoek en om het overdragen ervan aan studenten. Die twee doelstellingen zijn sluipenderwijs steeds lastiger met elkaar in overeenstemming te brengen, zo hebben universiteiten ondervonden. Onderzoekers willen hun vakgebied uitdiepen, terwijl studenten in de breedte van allerlei vakgebieden wat willen weten om zich vanaf dag een op de campus aan maatschappelijke uitdagingen te wijden. Universiteiten die daar ondoordacht gehoor aan geven dragen bij aan een generatie kenniswerkers die aan het eind van hun studie geen vakkennis hebben opgedaan. Hun leren draait dan om het kunnen in plaats van het kennen.

Het vergroten van kennis vind plaats via onderzoek waarin de stand van het denken in een vakgebied steeds gespecialiseerder, preciezer en complexer wordt. Het is een prachtig process dat Herbert Simon eind jaren 70 al beschreef als een steeds verfijndere vertakking van kennis door het identificeren, ontleden en classificeren van brokjes nieuwe informatie bovenop het bouwwerk van bestaande kennis. Hoe dieper de hoogleraar in de vertakking van zijn vakgebied zit, hoe beter hij publiceert. Universiteiten komen door die publicaties hoger op de interantionale rankings te staan en kunnen daardoor makkelijker talent aantrekken op een internationale job-market, waardoor zij weer beter publiceren. Dit proces van kennis vergroten is internationaal en universiteiten kunnen zich er nauwelijks aan onttrekken.

Vrijwel haaks op het bovenstaande staat de ontwikkeling van hoe studenten leren. Vroeger was het geaccepteerd dat het leren een kwestie is van stampen van collegestof was, eerst gortdroog via massale colleges en gaandeweg met steeds meer toepassingen in de actualiteit, en uiteindelijk met een scriptie waarin de student hopelijk een minuscuul klein brokje nieuwe kennis kon bijdragen aan het grote vakgebied. Tegenwoordig wil de student dat niet meer. Begrijpelijk, want naarmate die stand van het denken vordert, moet een student een steeds grotere afstand overbruggen om de huidige stand van het denken te bereiken. Toch is het dat niet alleen. Er is ook steeds meer ongeduld: alles moet nu voor hen beschikbaar zijn. De student van nu wil niet wachten met het kunnen meepraten over de oplossing van grote wereldproblemen tot ver in zijn studie. De student van nu wil of kan ook steeds minder lang stof opnemen voordat de kennis moet worden bevraagd op tentamen. Alle universiteiten zijn hun vakken in steeds kortere blokken gaan geven. De huidige student is gewend aan Instant gratification, wat wil zeggen dat vrijwel direct na de moeite de beloning volgt.

Om in te spelen op de behoefte van studenten om zich direct al na inschrijving te storten op grote wereldvraagstukken, hebben universiteiten nieuwe opleidingen gestart zoals Future planet studies. In deze studie draait het in het eerste jaar om de vraag “hoe creëren we een duurzaam evenwicht in het precaire aardse systeem?”. Uiteraard kun je voor zo’n vraag niet leunen op slechts één discipline en zijn de colleges een multidisciplinair geheel, met natuurkunde, economie, sociology, en geologie. Elke zichzelf respecterende universiteitsstad heeft daarnaast ook een University College, waarbij de studenten multidisciplinair worden opgeleid via algemene vorming tot kritisch denkers over maatschappelijke uitdagingen van nu. Dat dit voor de student veel aantrekkelijker is dan het blokken op economische modellen of natuurkundige wetmatigheden kan ik mij erg goed voorstellen. Of je later een baan vind in de thematiek van je studie is niet te zeggen, maar dat hoeft ook geen argument te zijn. Technologische ontwikkelingen op de arbeidsmarkt gaan inmiddels zo snel dat de banen waarin nieuwe generaties zullen werken nu veelal nog ongekend zijn. Wellicht is het zo bezien niet eens onverstandig om een studie te kiezen die betrekking heeft op een uitdaging die we de komende twintig jaar nog niet zullen hebben opgelost.

Waar ik mij zorgen om maak is dat die studenten geen diepe vakkennis hebben van een discipline na hun studie. Een beetje kennis van alle disciplines is leuk om te hebben, maar op een arbeidsmarkt legt een ‘beetje kennis van van alles’ student het af tegen de student die een comparatief voordeel in een vak heeft. Dat komt omdat een team van multidisciplinaire generalisten minder ver komt qua kennis dan een multidisciplinair team van specialisten. Het eerste team bestaan uit mensen die iets kunnen. Het tweede team bestaan uit kenners.

Universiteiten moeten hier hun verantwoordelijkheid nemen. Stem het onderwijs van een vakgebied meer af op tegenwoordige manier van leren in plaats van de makkelijk gescoorde opleidingen waarmee de student van een koude kermis thuiskomt.