Social impacts bonds zijn een breekijzer voor bureaucratie

Volkskrant gastcolumn: Terwijl investeerders markten afschuimen op zoek naar rendement, duiken er ineens hoogrenderende investeringsmogelijkheden op in het publieke domein. Social impact bonds activeren op vernieuwende wijze kwetsbare groepen in de maatschappij.

Onze economie wil net als de wereldeconomie maar niet écht op stoom komen. Inflatie kun je zien als het gaspedaal van de economie. We bungelen al jaren rond de nul procent en dus rollen we nog even door totdat we stil komen te staan. Om dat gaspedaal te kunnen indrukken, hebben we brandstof nodig in de vorm van investeringen. Maar gangbare investeringen leveren nauwelijks iets op, en dus kijkt iedereen naar de overheid. De overheid, die al jaren niet thuis geeft, vanwege de afspraken in het Europese begrotingspact.

Terwijl alle partijen in de wacht staan en naar de ander wijzen om de brandstof bij te vullen, ontstaan er nieuwe initiatieven vanuit de maatschappij zelf. Productiviteit komt namelijk niet alleen van investeringen in technologie en innovatie, maar ook van investeringen in het actief krijgen van mensen die stilstaan. Sterker nog, terwijl investeerders markten afschuimen op zoek naar rendement, blijken er ineens hoogrenderende investeringsmogelijkheden in het publieke domein. Mensen uit de bijstand aan het werk krijgen, problematische schuldenaren op de rails helpen, voorkomen dat criminelen na hun celstraf terugvallen in het circuit. Het zijn allemaal overheidstaken waar ontzettend veel geld naar toe gaat.

Blijkbaar kan dat allemaal veel efficiënter, denken private partijen die zich beter in staat achten om mensen te activeren en daardoor overheidsuitgaven te besparen. Innovatieve gemeenten zoals Rotterdam, en daarna ook Utrecht en Maastricht, zijn begonnen met een veelbelovende en groeiende samenwerkingsvorm: de social impact bond. Een social impact bond is een financieringsinstrument waarbij een investeerder een overheidstaak financiert en die investering plus rendement terugverdient als de overheidstaak bovenmatig succesvol wordt uitgevoerd.

Bijstandsjongeren

In Rotterdam startte in 2014 het eerste initiatief. ABN Amro, de gemeente en de buzinessclub (een sociaal ondernemer met een eigen aanpak) sloten een overeenkomst om in twee trajecten honderdzestig bijstandsjongeren te activeren. De gemeente had al verschillende projecten lopen voor jongere werklozen, maar de buzinessclub dacht het beter te kunnen. ABN Amro zag daar wel brood in en Maarten Struijvenberg, wethouder Werkgelegenheid en Economie van de gemeente Rotterdam, voelt zich nu eenmaal niet zo snel bedreigd door iemand die denkt meer succes te kunnen boeken. De onlangs gepresenteerde resultaten van de eerste groep deelnemers lijken heel positief. Als dit voor de tweede groep jongeren ook geldt, gaat ABN Amro cashen; dan krijgt de bank niet alleen de geïnvesteerde zeven ton terug, maar ook het maximale rendement.

Uiteraard is er kritiek op deze aanpak. ‘Verkapte privatisering’, is er een. ‘Social impact bonds zullen alleen de gemakkelijk te bewegen doelgroepen eruit pikken, en dat is oneerlijk voor de meest kwetsbaren die achterblijven’, is een ander terecht punt van zorg. Maar ik zie vooral twee hele grote voordelen.

Slimme contracten

Ten eerste is dit een uitstekende manier om naast – en niet in plaats van – bestaand sociaal beleid, nieuwe methoden uit te proberen. Dat is boeiend omdat de sociaal ondernemers die deze taak uitvoeren vaak veel ervaring hebben met een bestaande aanpak en al jarenlang met lede ogen hebben aangezien hoe het veel effectiever kan. Zij krijgen een kans om het op een andere manier te proberen terwijl het risico van mislukken bij de private investeerder ligt.

Het tweede grote voordeel is dat Social impact bonds projecten zijn tussen verschillende organisaties die elkaar niet blind vertrouwen, waardoor slimme contracten worden opgesteld en een echte goede effectmeting nodig is. Zo moet de sociale ondernemer aannemelijk maken dat zijn aanpak meer oplevert dan het bestaande beleid en er daardoor een kostenbesparing zal ontstaan. De gemeente moet ervoor zorgen dat de jongeren die in het nieuwe project terechtkomen ook echt vergelijkbaar zijn met de andere jongeren. Dat kun je alleen hard maken met een solide wetenschappelijke effectmeting door betrouwbare derden. Alleen dan stappen investeerders mogelijk massaal in.

Maar ondanks die voordelen blijft het de vraag waarom de overheid niet zelf de handschoen oppakt. Waarom maakt ze geen gebruik van de extreem lage rente door zelf te investeren in haar eigen sociale domein? Waarschijnlijk is het een bewuste strategie van vernieuwende wethouders: een breekijzer voor vernieuwing en kostenbesparing van buitenaf optuigen als de bureaucratie intern te stroperig is.

Advertenties

Schippers start de Uber van de pillenmarkt

 

2016-03-21 14_29_36-Greenshot

De scepsis in de media over minister Schippers aanpak van de grote farmaceutische bedrijven is onterecht, betoogt gastcolumniste Sandra Phlippen.

Het Uber-model staat symbool voor hoe nieuwkomers met een frisse blik en slimme technologie markten kunnen openbreken waar onnodig hoge prijzen worden gerekend. Het zijn altijd markten waarin licenties, subsidies of in dit geval patenten marktmacht creëren die tot hoge prijzen lijden. Het Uber-model kenmerkt zich daarnaast door het maken van een individuele match tussen vrager en aanbieder. En ook dat is Schippers van plan.

Onze eigen Edith Schippers zou zomaar het revolutionaire brein kunnen blijken achter de ontwrichting van de pillenmarkt. Eind januari opende ze met haar Kabinetsbrief toekomstvisie medicijnen de aanval op grote farmaceuten. Ze wil de farmaceuten die steeds gigantischere prijzen vragen voor nieuwe medicijnen tegen vooral kanker en reuma een kopje kleiner maken. Om dat te bereiken wil ze een gezamenlijk europees inkoopplatform oprichten én ze wil dat de mogelijkheden voor gepersonaliseerde medicijnen zoveel mogelijk worden toegepast.

Haar plan stuitte in de media vooral op scepsis. ‘klinkt stoer’, kopten vrijwel alle kranten, ‘maar wat kan dat kleine Nederland dat nauwelijks een procentje op de wereldmarkt claimt nou maken tegen de big pharma megaconglomeraten?’ Wat die media niet weten is dat Schippers en haar ambtelijke kornuiten inmiddels een doorn in het oog zijn geworden van de Europese Commissie die Nederland aanwijst als de koploper in de parallelle handel in medicijnen. Nederland mag dan wel te klein zijn om lage prijzen af te dwingen bij big pharma zelf, ze is de bovenste beste in het opkopen van medicijnen die door grotere landen tegen lagere prijzen zijn uitonderhandeld. De opbrengsten van de goedkoper uit het buitenland ingeslagen medicijnen mogen van Schippers worden verdeeld tussen apotheker en verzekeraar.

Die parallelle handel moet Schippers op een idee hebben gebracht. Als big pharma voor eenzelfde kankermedicijn tot wel anderhalf keer meer betaald krijgt in Duitsland dan in het Verenigd Koninkrijk, dan moeten lagere prijzen mogelijk zijn. De parallelle handel tussen landen onderling ondermijnt de marktmacht van farmaceuten en maakt lagere prijzen mogelijk. Ga maar na: in theorie zouden alle Europese landen hun medicijnen niet meer bij de farmaceut of diens groothandelaar inkopen, maar bij het land dat de laagste prijzen betaald. Er zou dan een markt met een centrale inkoper ontstaan. In de praktijk zou dit het Verenigd Koninkrijk zijn, waar de prijzen meestal het laagst liggen. De rest van europa wordt via tussenhandel voorzien van medicijnen. Toen Schippers dat plaatje voor zich zag, moest ze hebben bedacht dat een centrale Europese inkoop tegen Engelse prijzen ideaal zou zijn.

Haar tweede speerpunt is het breed toepassen van gepersonaliseerde medicijnen. Deze technologie bestaat al voor een klein aantal aandoeningen maar zou inderdaad veel breder kunnen worden toegepast. Het is een techniek om het DNA van een patiënt te matchen met een medicijn. Hieruit blijkt met grote zekerheid of de betreffende patiënt wel baat heeft van het medicijn. De gevolgen hiervan kunnen revolutionair zijn en veel kosten besparen. Een medicijn dat tot nog toe aan alle patiënten met een bepaalde ziekte word gegeven, zal dan slechts bij een deel van die patiënten worden toegediend. Onnodige want ineffectieve medicijnen worden dan niet meer verstrekt. Patiënten hebben geen onnodige bijwerkingen, verdoen minder kostbare tijd met het zoeken naar het voor hen juiste medicijn en Schippers hoeft minder medicijnen in te kopen. Gepersonaliseerde medicijnen via centrale inkoop. Klinkt als een Uber-model met een belangrijk verschil: minder verkochte pillen worden niet goedkoper om te maken en dus zal de prijs stijgen. Schippers plan zal met andere woorden leiden tot hogere prijzen voor minder medicijnen. En dat is juist goed!

 

 

 

 

 

 

Leren gaat over kennen en niet over kunnen meepraten

Op de arbeidsmarkt legt de ‘een beetje kennis van van alles’-student het af tegen de student die een comparatief voordeel heeft in een vak, betoogt gastcolumniste Sandra Phlippen.

De Universiteit is het mekka van het leren. Alles draait hier in de kern om het vergroten van kennis via onderzoek en om het overdragen ervan aan studenten. Die twee doelstellingen zijn sluipenderwijs steeds lastiger met elkaar in overeenstemming te brengen, zo hebben universiteiten ondervonden. Onderzoekers willen hun vakgebied uitdiepen, terwijl studenten in de breedte van allerlei vakgebieden wat willen weten om zich vanaf dag een op de campus aan maatschappelijke uitdagingen te wijden. Universiteiten die daar ondoordacht gehoor aan geven dragen bij aan een generatie kenniswerkers die aan het eind van hun studie geen vakkennis hebben opgedaan. Hun leren draait dan om het kunnen in plaats van het kennen.

Het vergroten van kennis vind plaats via onderzoek waarin de stand van het denken in een vakgebied steeds gespecialiseerder, preciezer en complexer wordt. Het is een prachtig process dat Herbert Simon eind jaren 70 al beschreef als een steeds verfijndere vertakking van kennis door het identificeren, ontleden en classificeren van brokjes nieuwe informatie bovenop het bouwwerk van bestaande kennis. Hoe dieper de hoogleraar in de vertakking van zijn vakgebied zit, hoe beter hij publiceert. Universiteiten komen door die publicaties hoger op de interantionale rankings te staan en kunnen daardoor makkelijker talent aantrekken op een internationale job-market, waardoor zij weer beter publiceren. Dit proces van kennis vergroten is internationaal en universiteiten kunnen zich er nauwelijks aan onttrekken.

Vrijwel haaks op het bovenstaande staat de ontwikkeling van hoe studenten leren. Vroeger was het geaccepteerd dat het leren een kwestie is van stampen van collegestof was, eerst gortdroog via massale colleges en gaandeweg met steeds meer toepassingen in de actualiteit, en uiteindelijk met een scriptie waarin de student hopelijk een minuscuul klein brokje nieuwe kennis kon bijdragen aan het grote vakgebied. Tegenwoordig wil de student dat niet meer. Begrijpelijk, want naarmate die stand van het denken vordert, moet een student een steeds grotere afstand overbruggen om de huidige stand van het denken te bereiken. Toch is het dat niet alleen. Er is ook steeds meer ongeduld: alles moet nu voor hen beschikbaar zijn. De student van nu wil niet wachten met het kunnen meepraten over de oplossing van grote wereldproblemen tot ver in zijn studie. De student van nu wil of kan ook steeds minder lang stof opnemen voordat de kennis moet worden bevraagd op tentamen. Alle universiteiten zijn hun vakken in steeds kortere blokken gaan geven. De huidige student is gewend aan Instant gratification, wat wil zeggen dat vrijwel direct na de moeite de beloning volgt.

Om in te spelen op de behoefte van studenten om zich direct al na inschrijving te storten op grote wereldvraagstukken, hebben universiteiten nieuwe opleidingen gestart zoals Future planet studies. In deze studie draait het in het eerste jaar om de vraag “hoe creëren we een duurzaam evenwicht in het precaire aardse systeem?”. Uiteraard kun je voor zo’n vraag niet leunen op slechts één discipline en zijn de colleges een multidisciplinair geheel, met natuurkunde, economie, sociology, en geologie. Elke zichzelf respecterende universiteitsstad heeft daarnaast ook een University College, waarbij de studenten multidisciplinair worden opgeleid via algemene vorming tot kritisch denkers over maatschappelijke uitdagingen van nu. Dat dit voor de student veel aantrekkelijker is dan het blokken op economische modellen of natuurkundige wetmatigheden kan ik mij erg goed voorstellen. Of je later een baan vind in de thematiek van je studie is niet te zeggen, maar dat hoeft ook geen argument te zijn. Technologische ontwikkelingen op de arbeidsmarkt gaan inmiddels zo snel dat de banen waarin nieuwe generaties zullen werken nu veelal nog ongekend zijn. Wellicht is het zo bezien niet eens onverstandig om een studie te kiezen die betrekking heeft op een uitdaging die we de komende twintig jaar nog niet zullen hebben opgelost.

Waar ik mij zorgen om maak is dat die studenten geen diepe vakkennis hebben van een discipline na hun studie. Een beetje kennis van alle disciplines is leuk om te hebben, maar op een arbeidsmarkt legt een ‘beetje kennis van van alles’ student het af tegen de student die een comparatief voordeel in een vak heeft. Dat komt omdat een team van multidisciplinaire generalisten minder ver komt qua kennis dan een multidisciplinair team van specialisten. Het eerste team bestaan uit mensen die iets kunnen. Het tweede team bestaan uit kenners.

Universiteiten moeten hier hun verantwoordelijkheid nemen. Stem het onderwijs van een vakgebied meer af op tegenwoordige manier van leren in plaats van de makkelijk gescoorde opleidingen waarmee de student van een koude kermis thuiskomt.

 

Stop getouwtrek tussen werkgever, werknemer en zzp’er

 

Volkskrant gastcolumn: Asscher moet de arbeidsmarkt resetten, betoogt Sandra Phlippen. ‘Er zijn geen goede redenen om werknemers anders te zien dan zzp’ers.’

Het wordt steeds duidelijker: de arbeidsmarkthervormingen werken niet of averechts. Vast werk wordt niet flexibeler en flex werk wordt maar niet vaster omdat partijen blijven argumenteren vanuit verouderde poldertactieken. Vakbonden lijken niet in te zien dat de opkomst van de zzp’er de onderhandelingsmacht van de werknemer ondermijnd. Om hier uit te komen moeten we weer bij nul beginnen: wat is een arbeidsmarkt, wat is de prijs van arbeid, en hoeveel sociale zekerheid is basaal.

Aanstaande woensdag geeft Minister Asscher een eerste beeld van wat de nieuwe wet werk en zekerheid tot nu toe heeft opgeleverd en binnenkort volgt er een brede discussie over de hervormingen van de arbeidsmarkt. Zijn we op weg naar de ‘fatsoenlijke’ arbeidsmarkt waar Asscher het steeds over heeft? Nee, zegt een van de architecten van die wet, Micheal van Stralen van MKB Nederland. Van Stralen heeft het vooral over de nieuwe ontslagwet. Het idee was dat ontslag sneller en simpeler zou worden, zodat vaste banen wat flexibeler zouden worden. De uitkomst van een ronde tafel van Juristen in de tweede kamer vorige week stelt Van Stralen in het gelijk. De ontslagwet is mislukt, de sociale partners hebben gefaald.

Vast is vaster geworden

Vaste contracten zijn in sommige opzichten nog vaster geworden en vormen een wurgsteen om de nek van veel Kleine bedrijfjes. Dit is niet alleen een probleem van de werkgever. Wat vaak wordt vergeten is dat rigide ontslagstelsels voorkomen dat bedrijven nieuwe vaste banen aanbieden. Daarnaast remt rigide ontslag ook nieuwe innovatieve projecten met vaste medewerkers. Dat is omdat de ondernemer de contracten niet kan stopzetten als zo’n project mislukt, en daarom vaker besluit om er maar niet aan te beginnen.

Alsof dit nog niet genoeg is, zitten er nog een aantal partijen bovenop de haverkist om dat vaste contract nog onaantrekkelijker te maken.

Zo is er Mariette Patijn van FNV die pleit voor winstdeling met vaste werknemers. Vorige week kwamen daar Jongerius en Kerstens van de PvdA bij die loonsverhoging willen vanwege gestegen arbeidsproductiviteit. Op zich goede ideeën, maar de FNV en de PvdA doen net alsof ze werkgevers onder druk kunnen zetten met deze eisen.

 

Werknemer buiten spel

De realiteit is dat werkgevers een groeiend leger aan zzp’ers ontwaren die zowel goedkopere als flexibelere arbeidskrachten vormen. Het bilateral onderhandelingsspel tussen werkgever en werknemer is trilateraal geworden met de zzp’er als derde speler. Telkens wanneer de vakbonden dure zekerheid binnenslepen voor de werknemers, duwen ze in feite de werkgever/opdrachtgever en de zzp’er in een nieuwe arbeidsrelatie en staat de werknemer buiten spel. Staatssecretaris Wiebes probeert met man en macht het speelveld tussen de zzp’er en de werknemer gelijk te trekken door schijnconstructies op te rollen en zich herhalende tijdelijke contracten aan banden te leggen. Het eerste vaste contract dat daaruit voortvloeit moet ik nog getekend zien worden.

 

Ondertussen op de werkvloer

Al dit getouwtrek speelt zich af boven de hoofden van die werkenden. Over wat zich afspeelt tussen insiders en outsiders op een gezamenlijke werkvloer hoor je niemand, terwijl de werknemer er ondanks al die vastigheid ontredderd achterblijft. Van een vakbond is de werknemer meestal geen lid. Het lokkertje van de bedrijfswinsten die aan hem of haar kunnen worden uitgekeerd heeft nog niet tot massale stakingen geleid, terwijl je toch zou denken dat daar wat te halen valt. De vaste werknemer ziet al die strijd om zijn vaste contract om zich heen en ziet daarbij steeds meer collega’s die zich als zzp’er aanbieden in zijn team. Dat team, waarin vroeger gezamenlijk taken werden opgepakt, is veranderd in een team waarin taken worden uitonderhandeld. Klussen die niet direct output opleveren, zoals service, extra aandacht en zorgvuldig werken, blijven liggen of komen op de schouders van de vaste kracht. Die vaste kracht begint daardoor de voordelen van het zzp’er zijn ook steeds duidelijker te zien. Hij voelt steeds minder bij de toch al wankelende zekerheden van toekomstig loon bij ziekte of pensioen. En hop, zo is er weer een schaapje dat het omheinde stelsel van de insiders van de arbeidsmarkt verlaat voor de zo groen ogende weide van het zelfstandig ondernemerschap.

 

De arbeidsmarkt moet ge-reset worden

Vorig najaar waren alle ministeries op het terrein van werk en zekerheid het erover eens: er zijn eigenlijk geen goede redenen om werknemers anders te zien dan zzp’ers. Ze lopen beiden dezelfde gezondheidsrisico’s, ze maken dezelfde inschattingsfouten ten aanzien van pensioen en langleven, en ze hebben dezelfde inkomensbescherming nodig. Laat Asscher dáár de draad eens oppakken voor die fatsoenlijke arbeidsmarkt. Begin eens bij de vraag wat een arbeidsmarkt is: een markt waar taken te doen zijn en waar arbeidskrachten voor nodig zijn met de juiste vaardigheden. Voor het uitvoeren van die taken moet een fatsoenlijke prijs worden betaald. Van die prijs moet worden meebetaald aan een sociaal stelsel waar we in meerderheid achterstaan. Wie daarbovenop nog meer zekerheid en bescherming wil, kan dat kopen in ruil voor loon.